Afgelopen weekend zaten we in Mississippi. Zaterdag reden we naar nonkel James en tante Cathy. Ze wonen erg afgelegen; hun huis is het enige in de straat. Die straat heet dan ook toepasselijk Cathy’s Lane. Ze wonen in een klein huisje op een grote lap grond. James is een bon vivant en houdt er een smakelijke hobby op na: hij brouwt zijn eigen wijn. Gasten op ons trouwfeest in Collierville weten waarover ik spreek. Maar hij heeft er genoeg van, en geheel onaangekondigd heeft hij al zijn brouwinstrumenten aan Wiet geschonken. Wiet moet de traditie voortzetten. Naast al zijn alchemistengerief heeft hij Wiet ook een paar kilo druiven in de handen geduwd, met de boodschap: “Start stomping.” (met blote voeten, tot de druivenpitten onder uw teennagels kruipen)
James is in een vorig leven aannemer geweest en heeft zijn eigen huis gebouwd. Met de regelmaat van de klok bouwt hij er een annex aan (hij zou zo de Belgische nationaliteit kunnen verkrijgen), en de nieuwste toevoeging is een enorme screened-in porch. Een woordje uitleg is hier misschien op zijn plaats. Een porch is een overdekte buitenruimte die tegen het huis plakt. ‘t Was een architecturaal truukje om je huis tegen oververhitting te beschermen voor er airconditioning was. De porch regelt de overgang tussen buiten en binnen, tussen publiek en privé. De bedoeling is dat je ’s avonds in je schommelstoel op je porch zit, met een gitaar, een Jack Daniels of een combinatie van beide in de hand. Dan knoop je een gesprekje op afstand aan met een voorbijganger, en het leven is goed. De porch is quintessentially Southern. Als de stedenbouwkundige voorschriften van de stad Schaarbeek het toelieten bouwde ik een porch aan mijn huis in de Sniederstraat.
Maar ik dwaal af: heel het weekend raasde een serie stormen door het zuiden en zoals gewoonlijk – herinner u – werd het noorden van Mississippi hard getroffen. We zaten even zonder elektriciteit. Maar na weer zo’n storm was de temperatuur draaglijk, zwom er weer zuurstof in de lucht en zaten wij op de porch. Buiten hoorden we miljoenen muggen bloeddorstig zoemen, maar wij waren veilig (vanwege de screen). Effectief, het leven is goed.
Zondag reden we naar Oxford. Dit kleine stadje veranderde indertijd haar naam naar Oxford om de staat te overtuigen haar universiteit daar te bouwen. Het lukte, en vandaag telt de stad ongeveer evenveel studenten als inwoners. ‘t Is een pocket van rijkdom in de armste van alle Verenigde Staten. Een progressief eilandje in een ruraal en conservatief achterland, zou je denken. Toch is het hier dat in 1962 dodelijke rellen uitbraken toen de eerste zwarte student, James Meredith, toegang eiste tot de universiteit. Heather haar moeder herinnert het zich nog.
Op een steenworp van de universiteit, achter een onopvallende poort en een oprijlaan met diepe plassen ligt Rowan Oak, het huis van de Nobelprijswinnende schrijver William Faulkner. Hij woonde er van 1930 tot 1962, en veel van zijn boeken zijn gesitueerd in een denkbeeldig stadje dat sterk gelijkt op Oxford. Het huis lijkt de schrijver uit te ademen: een teruggetrokken, serieus kereltje, tegen wil en dank deel van de Zuiderse bourgeoisie. Vooral in zijn bureau, waar nog steeds het skelet van zijn boek a Fable in potlood op de muren staat, worden de bezoekers stil.
Mississippi, ondanks al uw miserie, we gaan u missen.