February 2009


Zaterdagnacht staat Wiet op om 4h30, voor een glaasje water. Voor een nog onbekende reden besluit hij eens naar buiten te kijken. Een kleine schok golft door zijn slaperig lijf: onze parking is uitermate leeg. Had hij de auto ergens anders geparkeerd? Nee, hij stond daar, zonder twijfel. De discotheek om de hoek sluit en de straat is bezaaid met feestvierders. Zou een van hen..? 

Hij maakt Heather wakker. Paniek. Onze toyota gepikt, misschien ondertussen te pletter gereden door een joyrider! We bellen de politie. Enkele minuten later staat er een agente in onze keuken. Machinaal onderwerpt ze ons aan een klein verhoor. Op wiens naam stond de auto? Was hij al afbetaald? (Ze spreekt enkel in de verleden tijd – lees: er is geen hoop dat we hem terug vinden) De nummerplaat wordt doorgebeld naar de centrale dispatching. “Aha, dat verklaart alles” horen we haar zeggen. “Uw auto is weggesleept” vertelt ze ons als ze te telefoon neerlegt. Wij reageren met een mix van opluchting en ongeloof.

Central Station Apartments, de uitbaters van ons appartementsgebouw, hebben een contract met een takelbedrijf. Alle auto’s op onze parking die geen “bewoner-sticker” of “bezoeker-sticker” dragen mogen ten alle tijden worden weggetakeld, op kosten van de eigenaar. Goed wetend dat op zaterdagavond de discotheekgangers bij ons parkeren was de takelaar vrolijk beginnen takelen; kassa kassa! Hij was zo enthousiast te werk gegaan dat onze sticker hem was ontgaan. 

De agente neemt afscheid en wij bellen de takelaar. Heather vraagt het antwoordapparaat – ‘t was vijf uur ’s ochtends – de toyota met nummerplaat zus en zo aub zo snel mogelijk terug te brengen. Als ze hem maar voor maandag terug brengen, anders kan Heather niet naar ‘t werk. We kruipen terug in ons bed. 

Iets na negen staat Wiet op. De auto staat terug op dezelfde plaats, maar achterstevoren. We hebben het niet gedroomd…

In de jaren zeventig was Al Green een van de bekendste soulzangers van de VS. Bij onze generatie is hij misschien nog het meest bekend van “Let’s stay together” op de soundtrack van Pulp Fiction. In 1976 geraakt hij ernstig gewond – volgens Wikipedia wanneer zijn vriendin gloeiende grutten(!)  over hem uit giet. Hij ziet het als een teken van God, bekeert zich, en wordt pastoor in “the Gospel Tabernacle”, een kerk in… inderdaad, in Memphis. 

Dus trokken wij zondag onze plastron respectievelijk kleed aan en reden naar dat kleine kerkje, ergens langs een smal wegske tussen de bomen van Zuid-Memphis. We zetten ons een beetje vanachter in de kerk. Blanken – vooral toeristen, inclusief de occasionele Elvis-imitator – zaten vanachter, vooraan zaten de locals, Zwarten. Op kop de oude dames met de typische hoeden van m’as-tu vu, waarmee ze amper door de deur geraken; ‘t leek wel Waregem Koerse. Op het podium zat bijna meer volk dan in de zaal: vier decanen, een tienkoppig gospelkoor, een orkest met het obligate Hammond-orgel, een master of ceremony, drie oude knarren die er vooral voor de versiering bij zaten maar als ‘t er op aan kwam dansgewijs sterk uit de hoek konden komen, en, uiteraard, Al Green himself. Het duurde even vooraleer die zelf aan het woord kwam. Eerst zeiden de decanen een woordje, dan een solo van het koor, welkomstwoordje door een ’sister’, een gezongen getuigenis van een madam die vorige week ei zo na haar dochter kwijt geraakte in een ongeval – de dochter stond er bij, in het gips; zeer pakkend – nog wat gospel en pas toen de mis een uur aan de gang was kwam Al Green uit zijn zetel. Het wachten waard, absoluut, want wat kan die man preken. “Jesus can bring the gas prices down”, zeg dat Al Green het gezegd heeft. Na meer dan twee uur zijn we gaan lopen, maar hij was nog volop bezig.

Eens buiten kwamen verschillende mensen ons de hand schudden. Een van hen was lid van een of ander comité van de kerk, en vroeg wat we zoal deden. Toen Wiet hem vertelde over zijn werk begon de man enthousiast te vertellen over uitbreidingsplannen voor de kerk, en vroeg Wiet z’n kaartje. Zou cool zijn om een kerk te tekenen voor Al Green.

Raymond Van Het Groenewoud heeft wel een beetje gelijk. Wat een verschil met een klassieke mis: emoties, interactie, en er gaat geen minuut voorbij zonder muziek. Mensen staan recht, roepen “Thank you, Jesus!” na elke zin van de predikant, dansen, huilen. Vanachter gaan zitten heeft geen zin: als hij je niet kent wijst hij je aan, en vraagt waar je vandaan komt. Ik heb zin om terug te gaan.

Al Green is gelukkig nooit opgehouden muziek te maken. Vorig jaar bracht hij “Lay it down” out, en het leverde hem vorige week een Grammy op. Ik kan u verzekeren: die hoge noten, dat is niet getrukeerd.

31 worden is pijnlijker dan 30 worden, lijkt het wel. Toen ik dertig werd was dat feestelijk en voelde ik me eigenlijk stiekem toch nog 21. Een jaar en een hernia later valt die bewering moeilijk vol te houden. Om de pijn wat te verzachten nam Heather haar lief mee naar Itta Bena, een van Memphis best bewaarde geheimen. De blueslegende B.B. King heeft een eigen club op Beale Street. Op het balkon van de club kan je een deur door, een trap op, en sta je hopla middenin het schitterend restaurant Itta Bena. Nergens een uithangsbord, geen wegwijzer, niks. Maar toch voldoende klandizie. En lekker eten.

Na het eten wipten we even binnen in de club voor Blind Mississippi Morris, een goedlachse dikke neger die als geen ander de mondharmonica speelt. Na twee nummers gaf zijn gitarist zijn instrument aan een snotaap van dertien en stonden ze daar samen te jammen. Toen kwam een rondborstige diva het podium op gewandeld, zette haar keel open en vulde de hele club met decibels. Ze trok de kleine gitarist op haar schoot en gaf Blind Morris een kus op zijn glimmende schedel.

Alsof dat nog niet genoeg was had Heather tickets gekocht voor de finale van de International Blues Challenge, een driedaags festival/wedstrijd voor opkomend bluestalent. We wandelden naar het legendarische Orpheum Theatre, dat godzijdank in de jaren zeventig aan de gretige sloophamer is ontsnapt. De zeteltjes zijn krap, maar de grandeur maakt veel goed. We zagen zes solo’s en duo’s het beste van zichzelf geven. Huilende steel guitars, een eenzame contrabas en verhaaltjes over barbecue eten en platzak zijn. Ik vond niet dat de beste had gewonnen. Maar Memphis is de hoofdstad van de blues, dat bleek weer eens.

Ik kreeg een kleine tsunami aan verjaardagswensen via allerlei virtuele kanalen, van allerlei mensen, ja zelfs van president Obama. Maar de meest originele boodschap kwam toch van mijn petekind Seppe, de kleine kapitein. Ik mocht zelfs kaarsjes uitblazen in Leuven. Dankjewel allemaal. 31, ik heb er zin in.