Na een diepromantische week zette Heather Wiet in New Orleans op zijn vliegtuig naar Zaventem, en beloofde dat ze naar Belgie zou komen.
Dat is nu bijna zes jaar geleden. En nu stonden we er terug, getrouwd en wel, met Wiet’s ouders en onze vrienden aan onze zij.
New Orleans, New Orleans, stad van geuren en kleuren. Het parfum van de Magnoliabomen in the Garden District, de geur van de zee in het Audubon Park, en de diepgewortelde stank van verschaalde alcohol en kots op Bourbon Street. De veelkleurige huizen, een erfenis van de slaven uit de Caraïben. Ik zou er morgen heen verhuizen, ware het niet van de afgrijselijke temperaturen in de zomer en de hoge misdaadcijfers.
New Orleans wordt af en toe de hoofdstad van the South genoemd, maar helemaal terecht is dat niet. Ze is van Franse in Spaanse handen over gegaan, terug naar de Fransen en tenslotte – dik tegen de goesting van de bewoners – gekocht door de Amerikanen. Daar heeft de stad een feestelijk kosmopolitisch karakter aan over gehouden. Helemaal niet zo conservatief als de rest van the South, waar “the Big Easy” als een poel des verderfs wordt beschouwd. Op Bourbon Street – de langgerekte serie café’s, stripteasebars in het centrum – worden vrouwen aangespoord hun borsten te tonen aan de cafegangers op de balkons. Als ze ingaan op de aanmoedigingen krijgen ze als beloning een plastieken halssnoer toegeworpen. Zo krijgt een stad een bijnaam, inderdaad.
